Als je beter wil chippen, helpt het vooral als je oefent met een doel. Niet een emmer ballen leeg slaan en hopen dat het vanzelf beter wordt. Je wil juist weten waar je bal moet landen, hoeveel hij daarna nog doorrolt en of je dat elke keer ongeveer opnieuw kunt doen. Op het moment dat je dat meetbaar maakt, merk je ook sneller vooruitgang.
Een snel overzicht
ToggleWat je met chip oefeningen echt traint
Met chip oefeningen train je eigenlijk drie dingen. Eerst contact, zodat je de bal schoon raakt en niet steeds een beetje dun of dik. Daarna de landingsplek, want daar begint je afstandscontrole. En als laatste de afstand zelf, dus de rol die je na de landing nog krijgt. Als die drie samen kloppen, wordt chippen ineens een stuk rustiger.
6 oefeningen voor beter chippen
1. Handdoek als landingsplek
Leg een handdoek op de green en gebruik die als landingszone. Je probeert je bal daar te laten neerkomen, niet bij de hole. Dat is even wennen, maar het maakt je chip veel rustiger omdat je ineens een duidelijk punt hebt om op te mikken. Daarna zie je vanzelf of je bal te ver doorrolt of juist te kort blijft.
2. Ladder oefening voor afstandsgevoel
Zet een paar doelen op een rij, steeds iets verder. Je chipt de eerste bal naar het eerste doel, de volgende bal net iets verder, en zo werk je naar achteren. Het idee is dat je leert doseren zonder harder te slaan dan nodig. Als je dit netjes doet, voel je snel verschil tussen te veel rol en precies genoeg.
3. Up and down spel
Kies een plek naast de green en speel het alsof het een echte situatie is. Je chipt naar een hole en je putt elke bal uit. Je houdt je score bij en probeert die lager te krijgen. Dit maakt oefenen meteen serieuzer, want je telt het resultaat en niet alleen of de chip er leuk uitzag.
4. Par 18 rond de oefengreen
Kies negen plekken rond de oefengreen. Elke plek is par 2, dus chip en putt. Je doel is 18 slagen totaal, of lager als het een keer lekker loopt. Je ziet snel waar je slagen laat liggen, meestal doordat je eerste chip te ver weg blijft of omdat je contact niet constant is.
5. Eén hand chips voor beter contact
Chip met alleen je rechterhand als je rechtshandig bent. Houd de beweging klein en rustig, je hoeft niks te forceren. Het gaat erom dat je het raakmoment beter voelt en dat je niet ineens met je polsen gaat klappen. Als je dit goed doet, merk je dat je normale chip ook stabieler wordt.
6. Handdoek onder je arm voor een compacte beweging
Klem een handdoek onder je voorste arm en chip zonder dat die eruit valt. Je voelt meteen wanneer je armen los gaan werken in plaats van dat je als één geheel beweegt. Dit is vooral handig als je chip snel te groot wordt en je timing daardoor rommelig wordt. Hou het simpel, korte swing, rustige finish.
Zo bouw je er een korte training van
Als je deze oefeningen een beetje slim achter elkaar zet, ben je in twintig tot dertig minuten klaar en heb je toch het gevoel dat je echt iets getraind hebt.
Begin met 10 ballen op de handdoek. Kies één club en hou die de hele set hetzelfde, zodat je niet steeds opnieuw hoeft te schakelen. Focus alleen op die landingsplek en laat de uitrol even voor wat het is.
Ga daarna door met 10 ballen ladder oefening, nog steeds met dezelfde club. Je traint nu vooral tempo en gevoel, zonder dat je ineens harder gaat meppen. Maak je doelen niet te groot. Het gaat om het verschil tussen net te kort, precies goed en net te lang.
Sluit af met 9 holes Par 18 of een korte up and down ronde. Dit is het moment waarop je het spel erbij pakt. Je voelt ineens druk, je moet kiezen, en je wilt er eentje dichtbij leggen. Noteer je score, ook als het tegenvalt, want daar leer je het meest van.
Zo meet je vooruitgang
Kies één ding dat je bijhoudt en hou het klein. Bijvoorbeeld hoeveel ballen op of vlak bij de handdoek landen. Of je totaalscore bij Par 18.
Schrijf het gewoon ergens op in je telefoon. Als dat getal langzaam beter wordt, dan weet je zeker dat je chippen ook beter wordt. Dat is veel fijner dan trainen op gevoel en na twee weken denken dat er niks veranderd is.





