Golftermen: een compleet overzicht van 100+ golftermen

Golf zit vol vaste termen en afkortingen. In dit woordenboek vind je 100 plus golftermen met korte, duidelijke uitleg in normale taal. Handig als je tijdens het spelen iets hoort en snel wilt weten wat het betekent.

A · B · C · D · E · F · G · H · I · J · K · L · M · N · O · P · Q · R · S · T · U · V · W · X · Y · Z

Golftermen met letter A

Adresseren van de bal: Dit is het moment dat je gaat staan voor je slag en je club achter de bal zet. Je zorgt dat je houding en richting kloppen.

Afslagplaats of tee: Dit is de startplek van een hole. Je slaat hier je eerste bal weg binnen het afgebakende vak.

Airshot: Je maakt een slag en mist de bal volledig. Deze misser telt wel gewoon als slag.

Albatros: Drie slagen onder par op één hole. Op een par 5 is dat uitholen in 2 slagen. Lees meer over een albatros bij golf.

Amateur: Een golfer die niet als professional speelt. Je speelt voor je plezier en niet voor prijzengeld als inkomen.

Approach: Een slag richting de green. Meestal bedoel je hiermee de slag waarmee je de bal op of vlak bij de green probeert te krijgen.

Apron: Het kort gemaaide stuk rondom de green. De bal kan hier vaak beter rollen dan in de rough, waardoor putten of een rustige chip soms slim is.

Golftermen met letter B

Baan: Dit is het hele terrein waar je mag spelen. Dus van afslagplaats tot green, inclusief fairway, rough en hindernissen.

Baanpermissie: Toestemming van een golfclub om de baan op te mogen, meestal na een instaptraject of test. Het betekent dat je veilig en met genoeg basiskennis kunt spelen, vaak gekoppeld aan handicap 54.

Baanrecord: Dit is de laagste score die ooit op die baan is gelopen. Meestal gaat het om 18 holes.

Back Nine: Dit zijn holes 10 tot en met 18 op een 18 holes baan. Je tweede helft van de ronde dus.

Backspin: Dit is achterwaartse draaiing van de bal. Daardoor stopt de bal sneller op de green, of hij rolt een stukje terug.

Back tee: Dit is de verste afslagplaats. Vaak bedoeld voor sterke spelers, omdat de hole vanaf daar langer is.

Backswing: Dit is het deel van de swing waarin je de club naar achteren brengt. Dit is de beweging vóórdat je de bal raakt.

Bal: Een golfbal die voldoet aan de regels. In wedstrijden mag je niet zomaar elke trainingsbal gebruiken.

Balhengel: Een uitschuifbare stok met een netje of bakje. Je gebruikt hem om een bal uit water te halen.

Bal in spel: Je bal is in spel vanaf je eerste slag op de afslagplaats. Hij blijft in spel tot je uitholet, of tot de regels je laten droppen of vervangen.

Balmarker: Een klein voorwerp waarmee je de plek van je bal markeert op de green. Daarna mag je de bal even oppakken en terugleggen.

Bestball: Een spelvorm waarbij per hole alleen de beste score van je team meetelt. De rest van de scores vallen dan weg.

Birdie: Eén slag onder par op een hole. Op een par 4 is dat 3 slagen. Lees meer over een birdie bij golf.

Blind hole: Een hole waarbij je de green niet kunt zien vanaf de afslagplaats. Je speelt dan zonder zicht op het eindpunt.

Bogey: Eén slag boven par op een hole. Op een par 4 is dat 5 slagen.

Bruto score: Je totale aantal slagen zonder handicap. Je telt alles gewoon bij elkaar op.

Buiten de baan: Je bal ligt buiten de grenzen van de baan. Dit heet Out of Bounds en dat levert straf op volgens de regels.

Bunker: Een zandhindernis in de baan. Je bal ligt er vaak laag en je moet hem eerst netjes uit het zand krijgen.

Golftermen met letter C

Caddie: Iemand die met je meeloopt en helpt tijdens de ronde. Bijvoorbeeld clubs dragen, afstanden doorgeven en meekijken met je keuzes.

Caddieboekje: Een boekje met per hole een kaartje en afstanden. Je gebruikt het om te zien hoe ver het is naar bijvoorbeeld bunkers, water en de green.

Caddiemaster: De persoon bij de club waar je je meldt voor je ronde. Je regelt hier bijvoorbeeld je starttijd, greenfee of buggy.

Chip: Een kort schot waarbij de bal weinig vliegt en daarna vooral rolt. Je gebruikt dit vaak net naast de green.

Chipping green: Een oefenplek voor chippen en korte slagen rond de green. Meestal met een green en verschillende plekken om vanaf te oefenen.

Clinic: Een groepsles waarin je de basis oefent. Vaak putten, chippen en slagen op de driving range.

Clubface: Het slagvlak van de club, dus het deel dat de bal raakt. De stand van het clubface heeft veel invloed op richting en effect.

Clubhuis: Het gebouw van de golfclub. Hier zitten meestal receptie, kleedkamers, horeca en vaak een golfshop.

Club: De golfclub waarmee je de bal slaat. Je hebt verschillende clubs voor verschillende afstanden en slagen.

Commissie: De groep die een wedstrijd organiseert of beslissingen neemt namens de club. Zij bepalen bijvoorbeeld de wedstrijdvoorwaarden en handelen twijfelgevallen af.

Course management: Slimme keuzes maken in de baan om fouten te vermijden. Bijvoorbeeld veilig spelen als er water of Out of Bounds ligt.

Course rating: Een getal dat aangeeft hoe moeilijk een baan is voor een scratch speler. Het wordt gebruikt bij handicapberekeningen.

Golftermen met letter D

Dimples: Dit zijn de kleine deukjes op een golfbal. Ze zorgen ervoor dat de bal verder en stabieler door de lucht vliegt.

Distance marker: Een paaltje, tegel of markering die een afstand aangeeft tot de green, meestal tot het midden. Je gebruikt dit om makkelijker je club te kiezen.

Divot: Een stuk gras dat loskomt als je de bal slaat, meestal bij een ijzerslag. Je hoort de divot terug te leggen of het gat te vullen als dat op die baan zo geregeld is.

Dogleg: Een hole waarbij de fairway een bocht maakt naar links of rechts. Je moet dan vaak kiezen tussen veilig om de bocht heen spelen of korter afsnijden.

Doorlaten: Een snellere partij laten passeren. Dit doe je als jullie tempo laag ligt, bijvoorbeeld door zoeken naar ballen.

Dormie: Een stand in matchplay waarbij de speler voor staat met evenveel holes als er nog te spelen zijn. De ander moet dan alles winnen om nog gelijk te komen.

Double bogey: Twee slagen boven par op een hole. Op een par 4 is dat 6 slagen.

Downhill lie: Je bal ligt lager dan je voeten omdat je op een helling staat. Dit maakt het lastiger om de bal goed te raken en hij komt vaak lager weg.

Draw: Een balvlucht die van rechts naar links buigt bij een rechtshandige speler. Dit kan bewust zijn, maar ook een lichte misser die nog prima speelt.

Drive: De eerste slag op een hole, meestal vanaf de afslagplaats. Het doel is afstand maken en de bal goed in het spel houden.

Driver: De club die meestal gebruikt wordt voor de drive. Dit is de langste club in de tas en bedoeld om ver te slaan.

Drivingrange: Een oefenterrein waar je ballen slaat om je swing te trainen. Je oefent hier vooral de langere slagen.

Droppen: De bal opnieuw in het spel brengen door hem vanaf kniehoogte te laten vallen. Dit doe je alleen als de regels dat toestaan, soms met strafslag en soms zonder.

Golftermen met letter E

Eagle: Twee slagen onder par op één hole. Op een par 5 is dat 3 slagen.

Eclectic: Een wedstrijdvorm waarbij je meerdere rondes speelt en per hole je beste score telt. Aan het einde telt dus per hole alleen je beste resultaat.

Eer: Het recht om als eerste af te slaan op een hole. Meestal heeft de speler met de beste score op de vorige hole de eer.

Eilandgreen: Een green die bijna helemaal omringd is door water. Je hebt vaak maar één duidelijke veilige kant om naartoe te spelen.

Embedded ball: Een bal die in de grond is gedrukt na de landing. In het algemene gebied mag je meestal zonder straf ontwijken volgens de regels.

Etiquette: Gedragsregels op de baan, zoals tempo houden, stil zijn bij slagen en pitchmarks repareren. Het levert geen strafslagen op, maar je kunt er wel problemen mee krijgen.

Europese Tour: De grote tour in Europa voor professionals. Deze heet tegenwoordig de DP World Tour.

Exemption: Een vrijstelling waardoor je mee mag doen aan een toernooi zonder dat je je hoeft te kwalificeren.

Extra holes: Extra holes die gespeeld worden als een wedstrijd gelijk eindigt. Hiermee wordt alsnog bepaald wie wint.

Golftermen met letter F

Fade: Een balvlucht die een klein beetje naar rechts buigt bij een rechtshandige speler. Dit kan bewust zijn, of een gecontroleerde misser.

Fairway: Het kort gemaaide stuk tussen de afslagplaats en de green. Hier heb je meestal de fijnste ligging om door te spelen.

Fairway bunker: Een bunker die in of langs de fairway ligt. Je moet dan eerst uit het zand komen en pas daarna weer afstand maken.

Fairway wood: Een hout dat je gebruikt vanaf de fairway of lichte rough. Handig voor lange slagen als een driver te riskant is.

Fat shot: Een slag waarbij je eerst de grond raakt en daarna pas de bal. De bal gaat dan vaak kort en voelt zwaar aan.

Flight: Een groepje spelers dat samen speelt in een ronde of wedstrijd. Meestal zijn dat 2 tot 4 spelers.

Flop shot: Een heel hoge korte slag, vaak met een lobwedge. Je gebruikt dit om snel te stoppen op de green, bijvoorbeeld over een bunker.

Follow through: Het deel van je swing nadat je de bal hebt geraakt. Hierin zie je vaak of je swing in balans is.

Fore: Een waarschuwingskreet als je bal richting andere spelers of toeschouwers gaat. Je roept dit meteen zodra je ziet dat het fout gaat.

Four ball: Een spelvorm met twee teams van twee spelers, waarbij per hole de beste score van elk team telt. Je speelt dus met vier ballen, maar je telt er per team één.

Foursome: Een spelvorm met twee teams van twee spelers, waarbij elk team met één bal speelt. Je slaat om en om, dus je bent echt samen verantwoordelijk.

Free drop: Een drop zonder strafslag. Dit kan bijvoorbeeld bij vrije ontwijking, zoals bij een gemarkeerd GUR gebied.

Front Nine: Holes 1 tot en met 9 op een 18 holes baan. Dit is de eerste helft van je ronde.

Golftermen met letter G

Gapwedge: Een wedge die qua loft tussen een pitching wedge en sand wedge in zit. Je gebruikt hem voor afstanden waar je net te veel hebt aan je pitching wedge.

Geplugde bal: Een bal die in de grond is gedrukt, vaak na een landing in zachte ondergrond. In veel gevallen mag je dan volgens de regels de bal opnemen en volgens de procedure ontwijken.

Gesloten clubblad: Het clubface staat bij impact naar links gericht bij een rechtshandige speler. De bal gaat dan vaak eerder naar links starten of meer naar links draaien.

Gimmie: Een putt die je tegenstander weggeeft in matchplay, omdat hij zo kort is dat hij hem zeker acht. De bal wordt dan als uitgeholed gezien.

GIR: Afkorting van greens in regulation. Dit betekent dat je de green haalt in het aantal slagen dat past bij de par, zodat je nog twee putts over hebt voor par.

Golfvaardigheidsbewijs: Dit werd vroeger vaak GVB genoemd. In Nederland wordt dit instapniveau nu meestal gekoppeld aan handicap 54 en baanpermissie.

Green: Het kort gemaaide stuk aan het einde van de hole waar de vlag en de hole liggen. Hier put je meestal.

Greenfee: Het bedrag dat je betaalt om op een baan te mogen spelen als je geen lid bent. Soms is het tarief anders voor 9 holes of 18 holes.

Greenkeeper: De persoon of het team dat de baan onderhoudt. Zij maaien, prikken, bezanden en zorgen dat greens en fairways speelbaar blijven.

Grooves: De groeven op het clubface. Ze helpen bij controle en effect, vooral bij slagen met ijzers en wedges.

Grounden: Je club met de zool de grond raken vóór je slag. In bunkers en sommige andere situaties mag dat niet.

GUR: Afkorting van ground under repair. Dit is een gemarkeerd stuk baan waar je vrije ontwijking krijgt omdat er gewerkt wordt of omdat het gebied beschermd wordt.

Golftermen met letter H

Halved: In matchplay betekent dit dat jullie de hole delen. Jullie hebben dan hetzelfde aantal slagen op die hole, dus niemand wint hem.

Handicart: Een klein golfkarretje waarmee je over de baan rijdt. Veel banen noemen dit ook gewoon een buggy.

Handicap: Een getal dat laat zien hoe goed je speelt. Hoe lager je handicap, hoe beter je gemiddeld scoort.

Handschoen: Een golfhandschoen geeft extra grip op je club. Rechtshandige spelers dragen hem meestal links.

Headcover: Een hoes die je over je clubhoofd doet. Het beschermt vooral je driver en woods in je tas.

Hindernis: Een lastig stuk in de baan dat je liever vermijdt, zoals water of een bunker. Het kan je extra slagen kosten als je erin ligt.

Hole: Het gat in de green waar je bal uiteindelijk in moet. Met hole bedoelen golfers ook vaak het hele stuk baan van tee tot green.

Hole in one: Je slaat de bal vanaf de afslag in één keer in de hole. Dat gebeurt bijna nooit, dus het is een groot ding als het lukt.

Hole uitgespeeld: De hole is klaar zodra je bal in de hole ligt. Pas dan telt je score voor die hole.

Honor: Dit is het recht om als eerste af te slaan. Meestal heeft de speler met de beste score op de vorige hole de honor.

Hoofdgreenkeeper: De eindverantwoordelijke voor het onderhoud van de baan. Deze persoon stuurt het onderhoudsteam aan en bepaalt vaak de planning.

Hook: Een balvlucht die bij een rechtshandige speler hard naar links draait. Meestal is het een fout, maar soms wordt het bewust gebruikt om om een obstakel te spelen.

Hosel: Het deel waar de shaft vastzit aan de clubkop. Als je de bal daar raakt, gaat het meestal flink mis.

Houten: Dit zijn de clubs voor lange slagen, zoals driver en fairway woods. De naam komt nog uit de tijd dat de kop echt van hout was.

Hybride: Een club die eigenschappen van een wood en een ijzer combineert. Je gebruikt hem vaak als vervanger van een lang ijzer, omdat hij makkelijker te slaan is.

Golftermen met letter I

Identificeren: Vaststellen dat een gevonden bal echt van jou is. Je markeert de plek en mag de bal alleen zoveel schoonmaken als nodig is om hem te herkennen.

IJzer 3: Een lang ijzer voor lange slagen vanaf de fairway of tee.

IJzer 4: Een lang ijzer voor afstand met een wat lagere balvlucht dan de kortere ijzers.

IJzer 5: Een ijzer voor middellange afstanden. Vaak een fijne club om redelijk stabiel mee naar de green te slaan.

IJzer 6: Een midden ijzer voor afstanden richting de green. De bal komt meestal wat hoger dan met een 5.

IJzer 7: Een veelgebruikt ijzer voor slagen richting de green. Geeft vaak een goede mix van afstand en controle.

IJzer 8: Een kort ijzer voor gecontroleerde slagen. De bal komt hoger en landt meestal zachter.

IJzer 9: Een kort ijzer voor korte, hoge slagen richting de green.

Impact: Het moment dat het clubblad de bal raakt. Hier wordt bepaald hoe hard en in welke richting de bal weggaat.

Ingebedde bal: Een bal die deels in de grond zit na de landing. In het algemene gebied mag je vaak zonder straf ontwijken volgens de juiste procedure.

In het spel: De bal waarmee je de hole speelt vanaf je eerste slag. Hij blijft in het spel tot je uitholet, of tot de regels zeggen dat je opnieuw moet spelen.

Interlocking: Een manier van grip waarbij je vingers in elkaar haakt. Veel golfers gebruiken dit om de handen stabieler samen te laten werken.

Invitational: Een toernooi waar je alleen aan mee mag doen op uitnodiging. Je kunt je dus niet gewoon inschrijven.

Golftermen met letter J

Jasje: Bij golf gaat dit meestal over het groene jasje van The Masters. Dat is de prijs voor de winnaar van dat toernooi.

Jezusbal: Een lage bal die over het water stuitert en toch aan de goede kant eindigt.

Jeugd: De jeugdcategorie binnen een club of wedstrijd. Welke leeftijd daar precies onder valt verschilt per organisatie.

Golftermen met letter K

Kraag: De kort gemaaide rand rondom de green. Het ligt net iets hoger dan de green zelf.

Korte spel: Alles wat je doet rondom en op de green. Denk aan chippen, pitchen en putten.

Knockdown shot: Een lage, gecontroleerde slag waarbij je de balvlucht bewust laag houdt. Dit wordt vaak gebruikt als er veel wind staat.

Golftermen met letter L

Lateraal water: Water langs de zijkant van de hole dat als hindernis geldt. Je herkent het meestal aan rode paaltjes of rode lijnen.

Leaderboard: Een bord of scherm met de tussenstand. Je ziet dit vooral bij wedstrijden en toernooien.

Leary: Een neary prijs, maar dan na twee slagen. Het gaat om wie na twee slagen het dichtst bij de vlag ligt.

Lefty: Een linkshandige golfer. Vaak gewoon een bijnaam voor iemand die links speelt.

Level par: Je totale score is gelijk aan par. Dus je staat precies op schema.

Lezen van de green: Kijken hoe je putt gaat rollen. Je let op helling, snelheid en de lijn naar de hole.

Lie: De ligging van je bal. Dit bepaalt hoe makkelijk of lastig je de bal goed kunt raken.

Lip: De rand van de hole. Als je bal de lip pakt, kan hij eruit blijven of alsnog vallen.

Lobwedge: Een wedge met veel loft voor hoge, korte slagen. Handig als je snel wilt stoppen op de green.

Local rules: Plaatselijke regels van de baan. Deze gelden naast de standaard golfregels en staan meestal op de scorekaart of het bord bij de eerste tee.

Loft: De hoek van het clubblad. Meer loft betekent meestal hoger en korter, minder loft betekent lager en verder.

Long iron: Een lang ijzer zoals ijzer 3 of 4. Ze slaan ver, maar zijn lastiger zuiver te raken.

Los natuurlijk voorwerp: Dingen zoals bladeren, takjes en stenen die los op de baan liggen. In veel situaties mag je die weghalen als ze je slag hinderen.

Golftermen met letter M

Major: Een van de vier grootste golftoernooien bij de professionals. Dit zijn de toernooien waar spelers het meest prestige aan koppelen.

Marker: De persoon die jouw score bijhoudt tijdens strokeplay. Aan het einde controleer en teken je de kaart, omdat die score officieel is.

Marshal: Een baanofficial die rondrijdt of meeloopt om tempo te bewaken en groepen te helpen. Je komt ze vooral tegen op drukke dagen of bij wedstrijden.

Matchplay: Een spelvorm waarbij je per hole tegen elkaar speelt. Wie de hole met minder slagen speelt wint die hole, en de stand gaat in gewonnen holes.

Mulligan: Een extra kans om een slag opnieuw te doen, zonder dat hij telt. Dit is niet officieel volgens de regels, maar je ziet het vaak in relaxte rondes. Meer lezen over een mulligan? Lees hier verder.

Golftermen met letter N

Neary: Een prijs in een wedstrijd voor de bal die het dichtst bij de vlag ligt. Meestal gaat dit om de eerste slag op een par 3.

Netto score: Je score waarbij je handicap wordt meegerekend. Je krijgt op sommige holes slagen mee, waardoor je netto lager uitkomt dan je bruto.

Netto double bogey: De maximale score die meetelt voor je handicapregistratie op een hole. Alles daarboven wordt voor je handicap teruggebracht naar deze grens.

Negentiende hole: Bijnaam voor het clubhuis na je ronde. Je hoort dit vaak als golfers het hebben over nog even wat drinken of napraten.

NGF: De Nederlandse Golf Federatie. Dit is de bond die in Nederland onder andere je handicapadministratie en veel wedstrijdzaken ondersteunt, vaak via clubs en het World Handicap System.

Golftermen met letter O

O B: Afkorting van Out of Bounds. Je gebruikt dit als iemand zegt dat een bal buiten de baan ligt.

Obstakel: Een kunstmatig object in de baan, zoals een pad, hek of drainage. Soms mag je er gratis van ontwijken, soms niet, dat hangt af van het type obstakel.

Oefenswing: Een proefzwaai die je maakt voordat je de echte slag doet. Je gebruikt dit om tempo en gevoel te vinden.

Onspeelbare bal: Je verklaart zelf dat je bal niet speelbaar is. Je krijgt dan een strafslag en je moet de bal volgens een van de opties van de regels ontwijken.

Opteeën: Je legt de bal op een tee op de afslagplaats. Dit doe je bij je afslag om de bal hoger te kunnen raken.

Out of Bounds: Gebied buiten de grenzen van de baan, meestal gemarkeerd met witte paaltjes. Als je bal daar ligt, krijg je straf en moet je opnieuw spelen vanaf de plek van je vorige slag.

Golftermen met letter P

Par: Het aantal slagen dat een goede speler gemiddeld nodig heeft om een hole te spelen.

Par 3: Een hole waarbij je in de basis met één slag de green kunt halen.

Par 4: Een hole waarbij je meestal twee slagen nodig hebt om de green te halen.

Par 5: Een hole waarbij je meestal drie slagen nodig hebt om de green te halen.

Penalty area: Een gemarkeerd gebied met straf, vaak water of een lastige zone. Je krijgt opties om te droppen met één strafslag.

Plaatselijke regels: Extra regels die op die baan gelden, naast de standaard golfregels. Ze staan vaak op de scorekaart of bij de eerste tee.

Pitch: Een korte hoge slag richting de green, meestal met een wedge.

Pitch and run: Een slag die laag landt en daarna veel doorrolt. Handig als je de bal veilig naar de hole wilt laten lopen.

Pitchfork: Het vorkje waarmee je een pitchmark op de green repareert.

Pitchmark: Het putje op de green dat ontstaat als je bal hard landt.

Pitching wedge: Een wedge voor kortere slagen met redelijke hoogte. Veel golfers gebruiken hem voor slagen richting green en voor chips.

Provisionele bal: Een extra bal die je slaat als je denkt dat je eerste bal kwijt is of buiten de baan ligt. Je bespaart hiermee tijd als je eerste bal echt niet te vinden is.

Putt: Een slag waarbij je de bal over de grond naar de hole rolt, meestal op de green.

Putter: De club die je gebruikt om te putten. Hiermee rol je de bal in plaats van hem te slaan in de lucht.

Golftermen met letter Q

Qualifying: Een ronde of wedstrijd die meetelt voor je handicap. Je score kan je handicap dan omhoog of omlaag zetten.

Qualifying score: Een score die geldig is voor je handicapberekening. Als je score niet geldig is, telt hij niet mee als qualifying score.

Golftermen met letter R

Rough: Het hogere gras naast de fairway. Je bal ligt hier vaak minder lekker, waardoor je minder controle hebt over richting en afstand.

Rangefinder: Een afstandsmeter, meestal een laser. Je meet ermee hoeveel meter het nog is naar de vlag of een punt op de baan.

Relief: Ontwijken volgens de regels. Je verplaatst je bal binnen de toegestane zone, soms zonder straf en soms met één strafslag.

Rode penalty area: Een penaltygebied dat met rood is gemarkeerd. Als je bal erin ligt, mag je met straf ontwijken volgens de opties die daarbij horen.

Ryder Cup: Een grote teamwedstrijd tussen Europa en de Verenigde Staten. Het wordt gespeeld als matchplay en is vooral bekend door de spanning en sfeer.

Golftermen met letter S

Sand wedge: Een wedge die vooral bedoeld is voor slagen uit de bunker. Je gebruikt hem ook vaak voor korte slagen rond de green. Meer over de Sand Wedge.

Scratch speler: Een golfer met handicap 0. Die speelt gemiddeld par op een baan.

Shaft: De steel van de club. De shaft bepaalt voor een groot deel hoe de club aanvoelt en hoe hij buigt tijdens de swing.

Shank: Een misser waarbij je de bal met het deel bij de hosel raakt. De bal schiet dan vaak laag en hard weg naar rechts bij een rechtshandige speler.

Slice: Een balvlucht die naar rechts wegdraait bij een rechtshandige speler. Meestal is dit onbedoeld en kost het afstand.

Semirough: Het gras tussen fairway en rough in. Je ligging is vaak nog oké, maar je hebt minder controle dan vanaf de fairway.

Spotter: Iemand die meekijkt waar je bal landt en je helpt aangeven waar hij ligt. Dit zie je vooral bij drukte, wedstrijden of blinde slagen.

Stableford: Een puntentelling waarbij je per hole punten krijgt op basis van je score en handicap. Je totale punten bepalen je eindresultaat.

Stance: Je stand bij het slaan, dus hoe je voeten staan en hoe breed je staat. Dit heeft veel invloed op balans en richting.

Starttijd: Het tijdstip waarop je begint aan je ronde. Bij drukte houdt de club hier strak aan vast.

Stimp: Een maat voor hoe snel de green is. Hoe hoger de stimp, hoe verder de bal rolt met dezelfde putt.

Stroke index: Een nummer per hole dat aangeeft hoe moeilijk die hole is. Dit bepaalt op welke holes je handicap slagen meekrijgt.

Strokeplay: Een spelvorm waarbij elke slag telt. Aan het einde tel je al je slagen bij elkaar op.

Sudden death: Een verlenging na een gelijke stand, waarbij je doorgaat tot iemand een hole wint. Zodra één speler beter scoort op een hole is het klaar.

Golftermen met letter T

Tap in: Een hele korte putt die je bijna niet kunt missen. Je tikt hem gewoon even in.

Tee: De afslagplaats waar je een hole begint. Veel golfers zeggen ook tee als ze de startplek bedoelen.

Tee pinnetje: Het houten of plastic pinnetje waarop je de bal zet bij de afslag. Je gebruikt het om de bal iets hoger te raken.

Tee time: Het tijdstip waarop jij mag starten op hole 1. Dit is je starttijd.

Tegen par spelen: Een spelvorm waarbij je per hole kijkt of je beter, gelijk of slechter speelt dan par. Je speelt dus eigenlijk tegen de baan.

Thin shot: Een slag waarbij je de bal te hoog op het clubblad raakt. De bal komt dan vaak laag en hard weg.

Threesome: Een wedstrijdvorm waarbij één speler het opneemt tegen twee spelers. Er wordt dan per kant met één bal gespeeld.

Tijdelijk water: Waterplassen in de baan die er tijdelijk liggen door regen. Je mag daar meestal zonder straf van ontwijken volgens de regels.

Tiensecondenregel: Als je bal op de rand van de hole ligt, mag je maximaal tien seconden wachten of hij alsnog valt. Valt hij niet, dan speel je verder en telt hij niet alsnog als gevallen.

Topped: Een slag waarbij je de bovenkant van de bal raakt. De bal rolt dan meestal laag over de grond en gaat niet echt de lucht in.

Trolley: Een karretje waar je je golftas op zet. Je duwt of trekt hem mee tijdens de ronde.

Golftermen met letter U

Uitputten: De bal in de hole putten. Je bent pas klaar met de hole als je bal echt in de hole ligt.

Uitholen: Zelfde idee als uitputten. Je maakt de hole af door de bal in de hole te spelen.

Up and down: In twee slagen uitholen vanaf naast de green. Meestal chip of pitch, daarna één putt.

Uphill lie: Je bal ligt hoger dan je voeten omdat je op een helling staat. Dit beïnvloedt je houding en vaak ook je balvlucht.

Golftermen met letter W

Wedge: Een club met veel loft voor korte slagen. Je gebruikt een wedge voor pitches, chips en bunkerslagen.

Wedge shot: Een korte slag met een wedge richting de green. Vaak draait het om controle en afstand.

Wildcard: Een plek in een toernooi die je krijgt zonder normale kwalificatie. Meestal via een uitnodiging van de organisatie.

Wintergreen: Een tijdelijke green waar je in de winter op speelt. De normale green wordt dan ontzien.

Wood: Een club voor lange slagen, zoals een driver of fairway wood. Je gebruikt hem vanaf de tee of soms vanaf de fairway.

Golftermen met letter Y

Yardage book: Een boekje met kaarten van de holes en afstanden. Je gebruikt het om makkelijker te zien hoe ver het is naar bijvoorbeeld bunkers, water en de green.

Yips: Een probleem bij vooral putten, waarbij je handen ineens gaan trillen of je een schokje voelt in je beweging. Je putt voelt dan niet meer vloeiend en je mist vooral de korte putts sneller.

Golftermen met letter Z

Zandhindernis: Een bunker met zand. Je mag hem niet gladstrijken vóór je slag en je moet eerst uit het zand komen voordat je weer echt afstand kunt maken.

Zomergreen: De normale green waarop je het grootste deel van het jaar speelt. In de winter wordt soms uitgeweken naar een wintergreen.

Zie je een foutje? We horen het graag.

Joris
Welkom en leuk dat je Par6.nl hebt gevonden. Hier vind je tips, ervaringen en gedachten van een gewone golfer die graag beter wil worden. Ik golf graag en schrijf hier over wat mij helpt beter te spelen (of in ieder geval met meer plezier). Misschien helpt het jou ook.
golfer tijdens zonsondergang

Welkom bij Par6.nl! Dé plek waar jij je golfspel naar een hoger niveau tilt. Van golfoefeningen en golfregels tot aan de beste golfvakanties in Spanje, op Par6.nl vind je het. Verhoog vandaag nog je golfplezier en verlaag je golfhandicap!

Ontdek onze blogs en gidsen! ⛳🏌️ Lees meer over ons.